Het bedoelde einde van de poëzie

Het bedoelde einde van de poëzie

In het antieke huis met de dunne ramen
sprak oma hardop – ook als zij alleen was –
met haar huishoudelijk handelen mee:

“Leg ik de kaas in de kelder.
Zet ik het bord op het aanrecht.
Nu nog even het kleed. Ziezoo.”

Zo stuurde zij zichzelf door koude ruimtes,
prevelde de dingen op hun plaats.
De ultieme schikking waartoe de geschiedenis

moet leiden was in haar huis bijna bereikt.
Buiten voeren aken over de Oude Rijn, bedaard
en statig alsof elke vracht de laatste kon zijn:

“Hout naar de steigers,
steen naar de wal,
kolen naar de kachels.”

Als ’s avonds na de afwas de frequentie van
haar zinnen afnam en de poëzie overging
in het best mogelijke einde van de schepping

zagen wij achter Rijn en tuinderij
de silhouetten van stad, watertoren, wolken
samenvloeien in het doven van het licht.

Comments are closed.